Het onstaan van Autobedrijf André Boer

André Boer werd in 1955 geboren in Elburg, als tweede zoon in een warm gezin. Datzelfde jaar introduceerde Chevrolet voor het eerst de V8 in de Corvette, en als optie in de Bel Air. Toeval? Wie zal het zeggen. Zijn vader werkte als automonteur bij een Peugeot-garage, waar ook Amerikaanse rouw-, trouw- en ziekenauto’s werden onderhouden. Al als jong jongetje raakte André gefascineerd door dit vak.

De plaatselijke aannemer reed rond met een imposante rode Chevrolet-vrachtauto en een Buick Coupé, en ook de oud-ijzer- en lompenboer had een grote Chevrolet-vrachtwagen. André was er vaak te vinden, rommelde tussen de oude spullen en ontdekte dat je van afgedankte materialen vaak weer iets leuks kon maken. Zo bouwde hij al snel zijn eigen stepkarren: een soort step met vier wielen en een echt stuur. Ook leren lassen deed hij al vroeg, via een kennis in de haven van Elburg. Zo kon hij zijn stepkarren steeds beter maken en begon hij er zelfs een klein handeltje in. Voor 10 gulden verkocht hij zijn eerste stepkar aan een klasgenootje.

Rond zijn tiende zag hij voor het eerst een Chevrolet Marco Shark 2 in het autovakblad van zijn vader. Dit sportieve prototype met een 7-liter V8 en allerlei innovatieve technieken fascineerde hem. Hij nam zich voor: “Dat wordt later mijn auto.” Hoewel het model uiteindelijk werd aangepast naar de Manta Ray en later als C3 op de markt kwam, bleef de droom leven.

Na de lagere school ging André naar de LTS autotechniek. In zijn vrije tijd haalde hij motorblokken uit afgedankte brommers en scooters bij de oud-ijzerboer. Zo leerde hij hoe alles in elkaar zat en kon hij het aluminium voor extra geld verkopen. Zo begon ook zijn handel in brommers, die hij opknapte en met winst verkocht. Op zijn veertiende kocht hij zijn eerste splinternieuwe Zündapp-brommer voor 1000 gulden.

Op zijn veertiende kocht André ook zijn eerste auto: een oude Opel. Met zijn buurmeisjes als passagiers maakte hij meteen een ritje. Later begon hij ook handel in auto’s, vooral Opel en Mercedes, en op zijn zestiende werkte hij al vier dagen per week en ging één dag naar school. Op zijn twintigste studeerde hij af als eerste monteur aan de MTS in Zwolle en werkte hij bij een Mercedes-garage. Al zijn vrije uren stak hij in sleutelen en het opknappen van auto’s.

Vanaf zijn zeventiende raakte hij ook geïnteresseerd in Amerikaanse auto’s. Hij reed rond in een Jaguar MK II S Type en een MK 10, en natuurlijk in de Opel Commodore Coupé. Door de handel wisselden de auto’s snel. Van sportieve Manta’s tot Diplomat-modellen met een echte Corvette-motor: André reed ze allemaal.

In 1975 kocht hij zijn eerste Amerikaanse auto: een Mercury Cougar XR7, het eerste model dat in Nederland binnenkwam. Hoewel hij deze auto na drie maanden verkocht, miste hij de V8-beleving enorm. Kort daarna kocht hij een Camaro SS uit 1969, volledig opgeknapt en voorzien van Wolf Race-velgen. Deze Chevy, bijgenaamd Blacky, is nog steeds in zijn bezit en markeert het begin van zijn autocollectie.

In de jaren die volgden kocht André meerdere Pontiac Trans Am’s en Corvette’s. Met zijn handel en passie voor Amerikaanse auto’s groeide zijn kennis en reputatie. In 1980 bouwde hij een grote schuur achter zijn huis om zijn hobby te kunnen uitbreiden. Steeds meer liefhebbers wisten hem te vinden, en André werd specialist in Corvette’s.

In 1992 begon hij officieel voor zichzelf. Naast de schuur kwam een showroom met plek voor zo’n dertig auto’s. Het bedrijf groeide uit tot een echt familiebedrijf, samen met zijn zonen Johan en Martijn. In 2012 werd zelfs een museum geopend. André bleef altijd actief: sleutelen, restaureren, handelen.

Door de jaren heen bouwde hij samen met zijn drie zonen Johan, Martijn en Michel een indrukwekkende verzameling op: de Dutch Corvette Collection, met zo’n 200 Corvette’s. André Boer leeft zijn passie voor Amerikaanse sportauto’s volledig en is tot op de dag van vandaag altijd bezig met auto’s, handel en restauratie.